Dinsdag. Ze belt, maar ik mis haar oproep omdat ik Mitte in bed aan ’t leggen ben.
Ik kijk naar de telefoon achteraf. Gemiste oproep: mémé.

Ik doe verder met het huishouden. Als ik haar terugbel, hang ik minstens een half uur aan de telefoon.
Wat later… telefoon. “Dag mémé”…
Ze vraagt of ze kan langskomen, maar eigenlijk past het mij niet zo goed. Om 17u moet ik immers alweer ergens zijn.
We sluiten af met “Tot morgen!”

Woensdag. Enkele minuten na tien. Ze staat voor mijn deur. Trijn en ik doen de deur open.
Ze heeft haar ‘net’ bij zich. Haar net, dat is zo’n stevige tas van den Delhaize waarin ze zelf een zijzakske stikte. Met een koordje en een ringeske hangt daar haar huissleutel aan.
De zak van den delhais heeft haar doordeweekse handtas vervangen. Sinds ze enkele jaren geleden brutaal haar handtas liet ontnemen en daarbij lelijk ten val kwam, creëert ze zo toch een soort van veiligheidsgevoel.
Die sleutel hangt erin sinds ze zichzelf eens buitensloot.

In haar net vandaag: Een brood van bij haar bakker. Haar schort. Haar eigen strijkijzer. Haar eigen zeemvelleke. Haar eigen schuurcrème….

Ze zet haar net opzij en hangt haar jas aan de kapstok. Ze doet haar schort aan en vraagt waarmee ze kan helpen.
Tgoh…
Ze veegt de kruimels vanonder de tafel, ze dweilt de woonkamer en de keuken, ze veegt het terras, ze doet de keuken blinken,…
Ik maak soep, zorg voor de kindjes, geef bokes en borst, rommel aan het wasmachien, ga kindjes halen op school, maak eten, zet kinderen op ’t wc, haal kinderen uit elkaar,…

En voor ge ’t weet is de dag om. Maar ze eet niet mee. Ze neemt de bus naar huis. Dat koteletje moet vandaag op, want anders is ’t slecht. Ze neemt haar net weer mee, met daarin wat vodden die ze tegen morgen zal wassen. Ze draagt ook een potteke zelfgemaakte pruimenconfituur mee naar huis. Dat gaf ik haar mee omdat ze die ’s middags zo lekker had gevonden.

Donderdag. Om half elf staat ze voor onze deur.
Ze veegt de kruimels in de keuken. Ze dweilt de betontegels van het terras met een sopke van gisteren. Dat is immers te zund om zomaar weg te gieten. Daar bleken de tegels trouwens schoon van met de zon.
Dat dweilen doet ze trouwens niet met een aftrekker! Gewoon de dweil aan haar handen en voorover buigen, liefst met gestrekte benen.

’s Middags zitten we samen aan tafel. Ik zet koffie voor haar. De thee van gisteren vond ze niet zo lekker.
Ze haalt haar eigen brood erbij. Ik haal er even het hemdje-in-de-maak-voor-Klaas bij en stel haar een vraag.  Zó moet ik dat doen.
De mémé weet dat. Ze was vroeger naaister bij de meester kleermaker in Zele. Dat ze kostuums maakten op maat vroeger. Hoe ze leerde werken met een open vingerhoed en dat ze hem zelfs niet meer kan missen om een knopke aan te zetten.

Ik hang aan haar lippen als ze vertelt over vroeger. Over haar broers en zussen, haar moeder die vroeg stierf, over haar stiefmoeder, over het harde werk als kinderen van een aannemer, over hoe de karren getrokken door paarden op den hof kwamen gereden en die karren vol stenen moesten afgeladen worden, over hoe ze wist wie er geld uit de schuif pikte en hoe ze dat oploste met draadjes, over het grote huis waarin ze als kind opgroeide, over hoe ze haar zus opving die door haar stiefmoeder het huis werd uitgezet, over haar huis op de Durmenbaan, over haren hof die 80m diep was.

Ik haal google maps erbij en vraag haar of ze me kan tonen waar ze woonde. Het lukt haar niet. Er is zoveel veranderd.
Uit haar geheugen vertelt ze wie er naast haar woonde, dat er dan een gat was en wat verder weer wat huizekes. Achter den hof was den hof van een fabriek. Daar hebben ze ooit eens stookvier gemaakt en ze is toen gaan reclameren dat dat uit moest. Ze had immers nen hele witte was ophangen (of op den bleik liggen?) en ’t kon ni zijn dat die naar de stook zou stinken!
In Durmen moest ze naar de waag, naar Zele moest ze over een groot kruispunt.
In haar geheugen weet ze het nog perfect.

Ik weet ook waar ze woonde. Ik heb me er een héél beeld van gevormd en ’t gaat een teleurstelling zijn als ik het ooit in ’t echt zou zien. In mijn hoofd is ’t er altijd zomer.

Na ’t eten kamt ze haar haren en steekt dat schuiverke weer schoon. Ze moet er immers toch wat ‘voornaam voorkomen’ als ze ’t straat gaat vegen.

Als ’s namiddags de kinderen thuis zijn, is de straat allang schoon. Ze schilt appeltjes voor hen en terwijl mijn twee oudsten staan te duwen om eerst te zijn, legt zij hen -met veel geduld- het spreekwoord “geduld is een schoon deugd” uit.

Wat later in den hof motiveert ze Klaas om zijn kruiwagen vol takskes te laden. Takjes die ik normaalgezien ergens aan een kant zou gooien -ecologisch tuinieren, weet wel-, maar voor de gelegenheid en de goeie vrede laat ik ze begaan.
Klaas is dolenthousiast. Takken breken! Whoa!
Achteraf helpt hij ze in de groene bak te kappen en krijgt hij uitgebreide complimenten van zijn overgrootmoeder.

Deze avond eet ze wel mee. Pasta met kerstomaatjes, sjalotjes en fetakaas. Ik hoop dat ze het lust. Het is immers niet de goeie boerenkost waarvan zij meesterkok is.
En ja, hoera! Het menske had nog nooit fetakaas gegeten. Geitenkaas en schapenkaas behoren tot haar favorieten en zo dus ook de fetakaas. Dat het haar smaakte en dat ik haar bord nog eens vulde.

Later die avond zette ik haar af aan de bushalte alvorens ik zelf richting Lier reed.
Na een dikke kus liet ik een gelukkige vrouw achter aan de bushalte.
Ze had haar achterkleinkinderen gezien en had haar kleindochter kunnen helpen.

En serieus waar. Ik ben haar dankbaar!