Onze straat maakt deel uit van de N116, een gewestweg.
Een gewestweg door het hartje van ons dorp. Dat staat gelijk aan veel verkeer en gevaarlijke situaties. Auto’s razen ’s avonds aan ongeziene snelheid door de straat, vrachtwagens donderen met hun zware vrachten  over het wegdek, tractors en uitzonderlijk vervoer komen met hun zware banden gevaarlijk dicht bij het voetpad.
Mijn kinderen mogen onder geen beding op de baan fietsen. Ik zou ze graag nog zien opgroeien. Vijf minuten staan wachten om over te kunnen steken is trouwens geen uitzondering. Met vier kleine kinderen en maar twee handen wacht ik ook liever net iets langer dan risico’s te nemen.

Op 21 oktober jl startte men met de heraanleg van het wegdek. Eindelijk. De keren dat we werden wakker gedonderd door aanhangwagens of vrachtwagens die door de putten in het wegdek heen en weer werden gerammeld, zijn niet meer op handen te tellen. In ons huis trouwens 12 handen… we geraken al ergens als we tellen.
Er is dus al een beetje verbetering op komst. Een schoon egaal wegdek. In de drie jaar en half dat we in deze straat wonen, zal dat de eerste keer zijn.
We worden zelfs getrakteerd op fietssuggestiestroken en een zebrapad ter hoogte van de Delhaize! Hopelijk verhoogt het de veiligheid van de zwakke weggebruikers wat.

En toch blijven we dromen van minder verkeer door onze mooie dorpskern.
Tijdens de werken mochten we ervaren wat dat met mensen en de buurt doet, zo minder verkeer. Mensen komen buiten op straat, kinderen fietsen heen en weer, er worden ijsjes gedeeld met elkaar,…
Ons kinderen speelden met andere kinderen uit de straat. Kinderen waar ze de afgelopen drie jaar het bestaan niet van wisten. Kinderen van hun leeftijd, perfecte speelgenootjes.


Ik hield mijn kinderen in ’t oog. Onze straat was immers geen speelstraat maar een werf en de kinderen zijn jong. Bijna stond ik patatten te schellen aan de voordeur.
Met de voordeur open, een paar laarzen aan ’t straat en genoeg passerend volk om van sociale controle te kunnen spreken, werden de patatten toch maar binnen gescheld.
Bij etenstijd ging ik op straat staan, zette ik mijn handen rond mijn mond en klonk er een “Fien, Klaas, Trijn en Mitteeeeuh! Komen eten!” door de straat waarop mijn kroost verzameld richting nummer 19 sjokte om hun bord leeg te eten om daarna zo rap als tel weer buiten te kunnen spelen.

Ouders volgden kinderen naar buiten. Groepjes mensen, voorbijgangers die bleven staan om een babbeltje te slaan, buren die hun hoofd uit het raam staken, spelende kinderen.
Wij proefden van een sociale buurt. We zagen mensen die hun auto moesten verlaten om hun kinderen tot aan de muziekschool te brengen, mensen die te voet naar de bakker gingen,…

Het sociale leven zou zoveel schoner zijn zonder al dat autoverkeer.
Met één auto die we noodgedwongen een stuk verderop parkeerden en een bakfiets voor de deur, zouden wij deze verkeerssituatie goed gewoon kunnen worden.
Maar voor nu, op naar een veiligere straat!